Linda Huijsmans Teksten

YOU ARE HERE - >

GESNEEFDE AMBITIES

Als de intercity uit Almere bij Lelystad vaart mindert, kijkt de reiziger even op. Net nog boden de grote ramen uitzicht op grazende groepen przewalskipaarden die zich niet door het geel-blauwe geraas van de intercity lieten storen. De wildernis maakt plaats voor wilgen, populieren, elzen en dan trekt het landschap open. Kaarsrecht geploegde akkers, haaks lopende vaarten en hier en daar een felgekleurde tractor. Daartussen ligt een onbestemde klomp grijs beton. De reiziger ziet het niet.

Tekentafel

Die klomp ligt verscholen tussen twintig jaar oude boompjes en kniehoge struiken. Een menselijk bouwsel zonder enige functie. En dat in een stad die vanaf de eerste schets op de tekentafel is ontworpen. Hoe kon dat gebeuren?

Onze Lieve Vrouw Ter Nood

 Dit langwerpige stuk beton, dat donker kleurt als het regent en in de zon een onbestemd licht grijs aanneemt, is het perron van station Lelystad-Zuid. Het is in 1988 gebouwd, maar nooit afgemaakt. In Nederland zijn tientallen andere spookstations. Sommigen hebben prachtige namen, zoals ‘Onze Lieve Vrouw Ter Nood’ en ‘Casembrootstraat’. Op die perrons staan soms nog wachthuisjes waar het glas uitgewaaid is en kun je blauwe scherven van het naambord in de houder zien zitten. Op al die stations zijn ooit treinen gestopt en stapten passagiers in en uit. Op Lelystad-Zuid nog nooit.

Wortels en tulpenbollen

Langs het beton loopt een breed zandpad. Er liggen diepe plassen op. Een groene John Deere stuift er op zijn brede banden met hoge snelheid overheen. De boer is er er nog nooit een mens tegengekomen. De landbouwgrond is hier van uitzonderlijke kwaliteit. Bovenop de zeeklei is een 60 centimeter dikke laag zand gespoten. Daar zouden huizen gebouwd worden, maar nu groeien er wortels en tulpenbollen die het op kleigrond niet zo goed doen.

Een Kiosk

Dat zandpad had al lang geasfalteerd moeten zijn. De wortelvelden waren een mooie plek geweest voor een rotonde en een bushalte. Onder het viaduct zouden fietsenstallingen zijn verschenen en brede stoepen aangelegd. Misschien zou er een Kiosk hebben gestaan. Op de lichte pilaren zouden borden met vertrektijden hangen en de graffiti was verdwenen.E

Kniehoge struiken

De werkelijkheid is dat de ruimte onder het perron een paradijs is voor beginnende spuitbuskunstenaars. Soms eten er reeën van het jonge groen. De stoeptegels op de hellingbaan zijn nauwelijks meer terug te vinden tussen het onkruid en de kniehoge struiken. De brede trap leidt lui naar boven waar treinen achteloos langs het lege beton razen. Geen wachthuisje, geen naambord, niets. Bovenaan de trap rijst een metershoge pilaar de lucht in. Was daar de klok gepland? Op ooghoogte staat een grote, verkleurde ‘tag’ die alweer een paar keer overgespoten is. Daarboven is het beton nog maagdelijk schoon. Zelfs de lenigste graffitikunstenaars vond hier niets waar ze op konden klimmen.

Knardijk

Op een zachte dag in 1959 stopte hier vlakbij een zwarte dienstauto. Na de landdrost stapte een gezette, al wat oudere man uit, gekleed in overhemd en spencer. Vanaf de smalle dijk die de nieuwe polder droog moest houden keek hij om zich heen. Links zag hij water, de Zuidelijke IJsselmeerpolder zou pas over tien jaar droogvallen, rechts lag een grote lege vlakte. Zover zijn oog kon zien was het bedekt met riet. Een kleine vrachtwagen kwam in de verte dichterbij en remde nauwelijks af toen hij hem op de smalle dijk passeerde. Er zaten mannen in op weg van hun werk op het werkeiland naar huis. Dat waren de mannen die de polder hadden gemaakt, maar er voor geen goud wilden gaan wonen.

Westelijke Tuinsteden

Cor van Eesteren was toen al een grootheid. Hij was de man die de plattegrond van Amsterdam had uitgebreid met rode, groene en blauwe vlakken. Daarop had hij de westelijke tuinsteden getekend, de Sloterplas ingepland en ruimte gemaakt voor parken en bomen. 

Verhuiswagens

Dagelijks was Van Eesteren te vinden in die zandbak in Amsterdam-West, waar het geen seconde meer stil was. Er waren bouwvakkers, hijskranen en verhuiswagens waar je maar keek. Vergenoegd stapte Van Eesteren er tussendoor en genoot van de bedrijvigheid. Voor zijn ogen zag hij zijn ideeën voor zijn functionele stad werkelijkheid worden.

Leeg papier

Op een goede dag lag er een brief van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders op zijn bureau. Of hij de hoofdstad van het nieuwe land kon ontwerpen? Dat die Lelystad zou heten stond vast, verder was het aan hem. Dit was de kans van zijn leven. Hij kon op een leeg vel papier beginnen en zijn ideeën letterlijk vanaf de grond in praktijk brengen.

Zandbak

Het had hem meer dan een halve dagreis gekost om van de lawaaiige bouwput in Amsterdam-West naar deze meedogenloze stilte te reizen. Hij liet de oneindigheid van de ruimte op zich inwerken en voelde zich als een kind dat van de zandbak naar de woestijn is verplaatst.

Bebouwde kom

Een hele modderige woestijn, dat wel. De landdrost had hem zwarte kaplaarzen gegeven en daarin stapte de beroemde bouwmeester nu over de zompige klei. Middenin die leegte had iemand een zelf geschilderd bord met de naam ‘Lelystad’ de grond in geslagen. Dat zal hij gewaardeerd hebben. Van deze wildernis een bebouwde kom maken was precies wat hij hier kwam doen.

Torenflats

Van Eesteren ging terug naar zijn tekentafel. Als eerste trok hij de lijnen voor een vierbaans snelweg die vanuit Enkhuizen hoog over de stad heen zou lopen en zo verder naar Zwolle en Groningen. Daarna schetste hij een paar torenflats in het centrum, met veel groen eromheen, fiets- en wandelpaden die lager lagen dan de autowegen, een winkelhart met veel parkeerplaatsen en woonwijken zonder kantoren, en omgekeerd.

Te megalomaan

Telegraaf, februari 1966
Telegraaf, februari 1966

In 1965 was hij klaar. In 1966 kraakte de minister zijn plan in het parlement tot de grond toe af. Onuitvoerbaar. Veel te duur. Te megalomaan. En het duurde veel te lang om die stad te bouwen. Ze moesten beginnen. Zo snel en zo eenvoudig mogelijk.

Tweebaansweg

Er kwam een nieuwe landdrost. Deze had geen zwarte kaplaarzen meer nodig; het wuivende riet had het laatste water uit de klei getrokken. Daar overheen was een dikke zandlaag gespoten waarop gebouwd kon worden. Maar in plaats van torenflats werden er huizen gebouwd. Waar parken zouden komen werden straten aangelegd en de snelweg werd een tweebaansweg die eindigde in Lelystad. Van een spoorlijn kon voorlopig geen sprake zijn. De belangrijkste reden: In plaats van 100 duizend inwoners, zoals gepland, hoopte men in 1966 de 15 duizend te halen. En zelfs dat was niet zeker.

Onzekere puber

Zo begon Lelystad als een onzekere puber aan zijn ontwikkeling. Steeds werden grote plannen gemaakt, steeds werden ze naar beneden bijgesteld of geschrapt. De nieuwe bewoners bleven weg. ‘Lelystad is eng’, kopte de Telegraaf, halverwege de jaren zeventig. Je ziet die onzekere puber voor je ogen ineenkrimpen. Maar naar buiten toe houdt hij zich groot: ‘Lelystad is enig’ reageerde een groep gelukkige Lelystadse huisvrouwen. Het hielp niet. Aan de andere kant van de dijk groeide Almere uit tot het mooie buurmeisje. Zij kreeg alle lof en aandacht en groeide als kool. Lelystad werd een beetje vergeten.

Almere Spook

Zeventien jaar lang lag ook aan de zuidkant van de wildernis een lompe klomp beton dat ooit een station moest worden. Dit was het eindpunt van de lijn naar Amsterdam. Hier stopten wel treinen, maar alleen om te keren. Dit was het eindpunt van de lijn. Het werd Almere Spook genoemd en Almere Onkruid. Lelystad-Zuid kreeg niet eens een bijnaam.

Een glazen kap

Maar op een dag kwam er in Almere iemand het onkruid wegbranden, de struiken rooien, de opgeschoten bomen wegkappen en de rommel opruimen. Er werd een glazen kap op het grijze beton gezet, waaronder passagiers comfortabel konden wachten. Er stoppen nu vier keer per uur treinen op Almere Oostvaarders.

Gesloopt

Aan de andere kant van de wildernis heeft ProRail de trappen en de hellingbanen naar het perron van Lelystad-Zuid vorige jaar gesloopt. Zo kan er niemand meer naar boven. Althans niet gemakkelijk. 

 

Het beton ligt werkeloos in het landschap. De plannen voor die woonwijk zijn nog steeds erg vaag.

Later

Dit jaar bestaat Lelystad 50 jaar. Er wonen nu 77.512 mensen. Die onzekere puber begint heel langzaam volwassen te worden. Wie weet wat hij later zal worden.